HOME

Slimste Mens: Naïeve zeikende reserve kandidaat

Ik ga eerlijk zijn, maar met schaamrood op mijn kaken. Jarenlang heb ik gezeurd bij de “De Slimste Mens” of ik mee mocht doen. Seizoenen lang viel ik ze lastig per mail, telefoon en fax. Steevast was het antwoord: “bedankt, maar we zitten vol”.

En opeens, half november vorig jaar, een appje: “kan je overmorgen om 10 uur in de studio kan zijn?”. Zonder nadenken: “JA!” en ik heb er zin in.

Tot ik de studio binnen loop, daar transformeert “de zin” in één klap naar “blinde paniek”. Bij het zien van de camera’s denk ik aan de uitslag van mijn citotoets (VMBO-basis). Ik ontmoet Maarten en besef: “dit wordt gênant”. Ik zie het publiek en wil terug naar huis. Naar bed. Verdwijnen.

Dit hele verhaal (zeuren om mee te mogen doen, nooit mogen, eindelijk mogen, niet durven) voelt toch alsof ik op het kinderfeestje heengaande naar het zwembad tegen al mijn vriendjes heb gezegd: “ik ga sowieso van de hoge”. Om uiteindelijk, na drie minuten treuzelen op het randje van de duikplank, toch maar via het trappetje naar benden te gaan om de rest van dag, weggedoken in een handdoek, buikpijn te veinzen.

En daarbij ik ben reserve kandidaat. Ik weet niet of ik mee mag doen. Mijn deelname ligt in handen van alleskunner, dichter en baken van rust: Martin Rombouts. Als hij niet verliest heeft hij zeven afleveringen volgemaakt en moet je er volgens de spelregels uit. Als zijn tegenstander wel verliest moet die er ook uit en heb je dus twee nieuwe kandidaten nodig. Ik ben de back-up.

Martin belooft “zijn best voor me te doen”. Ik lach en zeg “nou ook voor jezelf hè” maar wens vurig dat hij kansloos verliest. Hij wint. Natuurlijk wint hij. Een ander verliest. Ik moet meedoen. Kakzooi. De opname start vrijwel meteen, ik moet naar de grime.

De vrolijke dame van de make-up vraagt in plat Amsterdams “of ik altijd so bleek ben of het door de senuwwuh komt? ”Als ze een tweede laag poeder over mijn hoogmoedige smoelwerk plamuurt verzucht ik “dat het zo dom was om mezelf aan te melden”. Ze lacht en roept: “nou hooguit naïef, maar joh anders maak je nooit wat mee hè”

En dat is zo. Bij alles in het leven eigenlijk. Als ik van te voren wist wat er ging gebeuren en hoe dat dan voelt zou ik nooit ergens aan durven beginnen. Niet ambitie of talent zetten mij in beweging, maar ik heb in mij een onuitputtelijke bron van naïviteit.

We gaan zien of die bron mij tot “de slimste” kan laten kronen. Nou niet alleen dat “naïef zijn” natuurlijk. Ook dat schaamteloos doorzeuren. Maar bovenal Martin. Een naïeve zeikende reserve kandidaat is helemaal niks zonder zijn eigen Martin.